Begin vanaf nul — de basale wiskunde die je nodig hebt voor alles anders
Elk getal dat je opschrijft is opgebouwd uit slechts tien cijfers: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9. De grootte van een cijfer komt voort uit waar het staat. Hetzelfde cijfer 5 kan vijf betekenen, of vijftig, of vijfhonderd. Het hangt af van zijn plaats.
De plaatsen staan op een rij in kolommen. Vanaf rechts: eenheden, dan tientallen, dan honderdtallen, dan duizendtallen. Elke kolom is tien keer zoveel waard als die rechts ervan. Dus in 372 staat de 3 in de honderdtallenkolom (300), de 7 in de tientallenkolom (70) en de 2 in de eenhedenkolom (2). Tel ze op: 300 + 70 + 2 = 372.
Denk aan geld. Om £372 te maken pak je drie biljetten van £100, zeven biljetten van £10 en twee munten van £1. Hetzelfde biljet is een ander bedrag waard, afhankelijk van op welke stapel het belandt — en die stapel is zijn plaats. Honderdtallen, tientallen, eenheden: precies de kolommen hierboven.