Begin vanaf nul — de basale wiskunde die je nodig hebt voor alles anders
Een ongelijkheid vergelijkt twee dingen die niet noodzakelijk gelijk zijn. De symbolen zijn > (groter dan), < (kleiner dan), ≥ (groter dan of gelijk aan) en ≤ (kleiner dan of gelijk aan). Dus x > 3 betekent: "x is elk getal dat groter is dan 3".
Je lost ongelijkheden bijna precies zo op als vergelijkingen. Voer aan beide kanten dezelfde bewerking uit en behoud het ongelijkheidsteken in plaats van een gelijkteken. Er is één bijzondere regel: als je beide kanten met een negatief getal vermenigvuldigt of erdoor deelt, moet je het teken omdraaien (< wordt > en omgekeerd). De oplossing is een heel bereik, dat vaak als een gearceerde halfrechte op een getallenlijn wordt getekend.
Ongelijkheden duiken overal op als limieten. Een attractie in een pretpark zegt dat je langer moet zijn dan 120 cm: height > 120. Een verkeersbord zegt dat je maximaal 30 mag rijden: speed ≤ 30. Het antwoord is niet één getal, maar een hele reeks — elke lengte boven de 120, elke snelheid tot 30.
▶ Ongelijkheden